Biotech werpt handdoek in de ring

Het Parool, 7 oktober 1999

Onder druk van Europese consumenten geven Amerikaanse biotech-bedrijven hun verzet tegen etikettering op: naast genetisch gemanipuleerde sojabonen willen zij ongemanipuleerde grondstoffen op de markt gaan brengen. Maar de Europese consument moet betalen voor zijn weerzin tegen moderne wetenschap.

PETER J. VERMIJ

De boodschap is in zijn ogen uiterst simpel: als 99 procent van de bevolking op het etiket wil lezen of producten gemaakt zijn met behulp van genetische manipulatie, dan moet het erop staan. ``Ook al is het vanuit wetenschappelijk opzicht dwaas — als de consument het wil, dan moet je het doen,'' zei de Britse biochemicus Julian Kinderlerer op een congres over de controverse rond genetisch gemanipuleerde voedingsmiddelen, afgelopen weekeinde in New York. ``Je kunt de consument niet dwingen iets te eten wat hij niet wil.''

Met grote verbazing zag Kinderlerer, adviseur van de Britse regering op het gebied van genetisch gemanipuleerd voedsel, afgelopen jaar hoe de media in zijn land alle remmen lieten varen. Geen dag ging voorbij of op de voorpagina van grote kranten werd dreigend verwezen naar Frankenstein food. Dat terwijl nog nooit een schadelijk gezondheidseffect van op de markt gebracht voedsel is gevonden, en er soms zelfs geen enkel verschil te ontdekken valt. Maar over zulke genuanceerde conclusies van wetenschappelijke commissies, waartoe ook Kinderlerer behoorde, lazen Britse krantenlezers geen woord.

Wat groeperingen als Greenpeace ondanks jaren actievoeren niet lukte, kreeg de Britse pers met steun van Prins Charles voor elkaar: de publieke opinie draaide om als een blad aan de boom. Gemanipuleerde tomatenpuree, al jaren gekocht door twee op de drie Britten, werd plots geboycot en verdween van de schappen. Supermarktketens, zoals Marks & Spencer en Sainsbury's, beloofden plechtig om genetisch gemanipuleerde sojabonen voortaan uit hun huismerkproducten te weren.

De Britse opwinding bleek besmettelijk: supermarkten in Frankrijk en Duitsland volgden het voorbeeld van hun Britse collega's. In afwachting van strengere testen op mogelijk indirecte effecten op het milieu, staakte de Europese Commissie de toelatingsprocedures van nieuwe producten; ook elders kreeg de Britse commotie gevolgen: Japan, Nieuw-Zeeland en Australië stelden etiketten op genetisch gemanipuleerde producten verplicht.

In de Verenigde Staten, intussen, begreep men niets van alle opwinding. In dat land biedt de wet geen ruimte om etiketten verplicht te stellen wanneer daarvoor geen gezondheidswetenschappelijke rechtvaardiging bestaat. En hoewel milieugroepen zeggen groeiende weerstand bij Amerikaanse consumenten te bespeuren, is daar in de praktijk nog weinig van te merken. Alleen twee fabrikanten van babyvoeding, waaronder Heinz, beloofden in die potjes van genetisch gemanipuleerde mais en soja af te zien.

Natuurlijk zouden Amerikanen de schouders kunnen ophalen voor hun Europese vrienden — ware het niet dat ze tegelijk ook exporteurs van de gemanipuleerde gewassen zijn. Van de vijf grote bedrijven die gemanipuleerde zaden verkopen, bevinden zich vier in de Verenigde Staten. En die bedrijven, waarschuwden dit voorjaar beursanalisten van de Deutsche Bank, zijn niet immuun voor het omgeslagen Europese klimaat: ze adviseerden investeerders hun aandelen te verkopen, nu de hele oogst in grote delen van de wereld onverkoopbaar dreigt te worden, en dus de opbrengst ervan zal kelderen. De héle oogst, omdat boeren, transporteurs en verwerkende bedrijven gemanipuleerde en ongemanipuleerde bonen en granen niet goed uit elkaar kunnen houden, en daardoor elke scheepslading in Rotterdam het etiket 'genetisch gemanipuleerd' verdient.

De alarmbel bleef niet onopgemerkt. Zaadgigant Monsanto verloor sinds mei een derde van haar miljardenwaarde; Andere grote spelers, zoals Dow Chemical en het Zwitserse Novartis, dat evenveel last heeft van de Europese etiketteringsregels als de Amerikaanse concurrenten, verloren bijna een kwart.

Geen wonder dus dat Amerikaanse concerns, gesteund door hun regering, aanstuurden op vernietiging van de Europese regels. Die vinden geen grond in de wetenschap, menen de Amerikanen, en dienen dus alleen om Europese boeren tegen Amerikaanse concurrentie te beschermen. In de aanloop naar een bijeenkomst van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), volgende maand in Seattle, was links en rechts al het geluid te horen van messen die geslepen worden.

Het was dan ook verrassend toen afgelopen weekend Willy de Greef, ooit plantenveredelaar bij het Belgische Plant Genetic Systems en nu hoofd regelgeving van Novartis, in New York plotseling pleitte vóór Europese etiketten, en daarmee het naderende gevecht bij voorbaat gewonnen gaf.

``Om een uitweg uit de crisis te vinden,'' zei De Greef, ``zullen we er niet aan ontkomen onze oogsten gescheiden te gaan verwerken.'' Voor honderd procent is dat niet mogelijk, zei De Greef er direct bij: Europa zal een drempelwaarde moeten accepteren, om te voorkomen dat ongemanipuleerde soja door kleine restjes in opslagsilo's of scheepsruimen tot 'genetisch gemanipuleerd' moet worden bestempeld.

Bij een drempelwaarde van vijf procent, rekende De Greef bereidwillig voor, zijn minder drastische maatregelen nodig dan bij een limiet van één procent. Maar in beide gevallen komt de rekening terecht bij de consument, waarschuwde hij: net zoals nu producten van de ecologische landbouw duurder zijn, zullen straks ongemanipuleerde producten meer kosten dan genetische gemanipuleerde.

``Als industrie hebben we nog maar één vraag aan de Europese Unie,'' aldus De Greef: ``Geef ons die drempelwaarde. Geef ons de regels van het spel, zodat we het kunnen gaan spelen.''

Vanwaar de ommekeer? De Greef: ``Een industrie die zich richt op de toekomst, moet kijken naar de markt waarin ze zich beweegt. Als die markt een sterk signaal geeft, en dat lijkt me in Europa het geval, dan zou het zelfmoord zijn daar niet naar te luisteren. Als zaadverdelaars hadden wij vroeger alleen de boeren als klanten. Nu moeten we rekening houden met consumenten die willen weten hoe producten tot stand zijn gekomen; voor wie het uitmaakt dat een tapijt door kinderen is geknoopt. Die trend hebben wij te laat opgemerkt.''

Zowel bedrijven als onderzoekers, stelt De Greef, hebben ten onrechte gedacht dat de angst van consumenten met wetenschap was te bestrijden. Waar tegenstanders, zoals Greenpeace, inspeelden op gevoelens van onveiligheid, reageerde de industrie met kale feiten. ``Onze tegenstanders hebben veel beter ingezien dan wij dat het debat niet over feiten ging, maar over emoties. Angst kun je slechts bestrijden met vertrouwen.''

Juist dat vertrouwen, meent De Greef, is in Europa geheel verdwenen: de gekke-koeienziekte, de varkenspest, de dioxine-kippen — telkens weer bleek, dat Europa zijn voedselbranche niet onder controle had. ``Net als medicijnfabrikanten onderzoeken wij zelf de veiligheid van onze producten. Wij hebben er alle belang bij om dat goed te doen, want ik verzeker u: als achteraf iets mis zou zijn, dan weet men ons te vinden. Maar voor de consument ontlenen we geloofwaardigheid aan de overheid die ons controleert. Als de geloofwaardigheid van die overheid zelf ter discussie staat, dan is dat een probleem, en niet alleen van de biotechnologie.''

Ondanks de plotselinge vredespijp is De Greef nog bitter over zijn tegenstanders. Zoals Greenpeace, die etikettering eist maar ook ageert tegen producten die etiketten dragen; die in campagnes ten onrechte suggereert dat sommige producten giftig zijn; die onderzoek vraagt naar lange-termijngevolgen, maar tegelijk veldexperimenten wil verbieden. ``Ik hoor mensen zeggen: we hebben geen biotechnologie nodig. Wíj rijke westerlingen hebben het inderdaad niet nodig. Maar ik heb acht jaar ontwikkelingswerk gedaan, en weet dus wel wat over boeren in de derde wereld. Ik vind het angstig om mensen die geen idee hebben van waar voedsel vandaan komt, die honger alleen hebben gezien op CNN, te horen praten over hoe je dat moet oplossen. Een paar keer in de geschiedenis meenden ideologen dat ze beter wisten hoe ze de bevolking moesten voeden. Dan noem ik de Oekraïne onder Stalin, de Grote Stap Achterwaarts onder Mao en het Cambodja van Pol Pot. Waarschijnlijk kan ik daar Noord-Korea inmiddels aan toevoegen. Men negeerde expliciet de wetenschap, en elke keer liep het uit op een catastrofe. Het beangstigt mij zeer, als het politiek correct wordt om landbouwonderzoek te scharen onder de problemen van de wereld.''

© Peter J. Vermij

> Home page